Schizofrenie of doe maar autisme

‘Psychiatrisch label zit er vaak naast’ kopt de Trouw (29 mei) n.a.v. twee onderzoeken van GGNet. Jammer dat GGNet vervolgens een trendy stempel plakt: niet schizofrenie of borderline maar autisme. Wanen, hallucinaties en psychosen van cliënten in de onderzoeksgroep worden nu toegeschreven aan autisme. We zien hier een klassieke fout. De verwarring tussen autisme en schizofrenie heeft alles te maken met de ontwikkeling van beide labels. De term autisme is ingevoerd door Bleuler in 1910. Hij gebruikte het begrip voor de beschrijving van het terugtrekken van zijn schizofreniepatiënten in een fantasiewereld. Vanaf de jaren dertig gebruiken autismedeskundigen, waaronder Kanner, het label autisme voor een specifieke groep ernstig ontwikkelingsgestoorde kinderen. Deze kinderen zijn in zichzelf gekeerd en weren contact af Daarbij zijn ze bang voor veranderingen en nemen ze alles letterlijk. Het woord auto in autisme verwijst nu naar ‘in zichzelf gekeerd’. Na veel onderzoek in de jaren vijftig en zestig, o.a. door Rutter, wordt duidelijk dat de oorzaak van autisme een verstoring is van de zintuiglijke informatieverwerking. Deze verstoring is van negatieve invloed op o.a de sociaal-emotionele ontwikkeling en de cognitieve ontwikkeling; deze kinderen kunnen moeilijk abstraheren en hebben weinig verbeelding en fantasie. Wanen en psychosen horen uitdrukkelijk niet bij het ziektebeeld. Toch blijft de verwarring tussen autisme en schizofrenie nog lang bestaan omdat Bleuler de term autisme dus in eerste instantie gebruikte voor zijn schizofrene cliënten.

De laatste jaren zien we dat hallucinaties, wanen en psychosen weer opnieuw in verband worden gebracht met autisme. De oorzaak is gelegen in de veranderingen van criteria voor autisme. De geschiedenis is kortweg als volgt: Rond 1980 lezen Wing en Frith, vooraanstaande autismedeskundigen, een oud artikel uit 1944 van Asperger. Asperger noemt zijn hoogbegaafden daarin autisten. Later komt hij hierop terug. Maar dan is het al te laat. Frith en Wing hebben hun eerste begaafden cliënten dan al voorzien van een diagnose autisme. In eerste instantie hebben ze nog wel geaarzeld of je hoogbegaafden wel autistisch kunt noemen, juist omdat deze hoogbegaafden fantasierijk zijn en een ruime verbeelding hebben. Maar dan schuiven ze dit hele aspect doodleuk aan de kant. Voor de nieuwe ‘Stoornis van Asperger’ van 1994 is ‘cognitieve achterstand’ geen vereist criterium meer; ook als er geen problemen zijn met abstraheren en verbeelding kun je autistisch zijn. Wel staat uitdrukkelijk vermeld dat schizofrenie autisme uitsluit. In het nieuw handboek voor psychiatrie, de DSM V uit 2013 vinden we deze vermelding niet meer terug. Integendeel een combinatie met andere mentale afwijkingen is mogelijk. En dat maakt de weg vrij om psychosen e.d. opnieuw in verband te brengen met autisme. Daarmee krijgt de cliënt die al kampt met verslavingen en/of trauma’s een stigmatiserend stempel waar hij nooit meer vanaf komt. Hij en tegenwoordig ook zij gaat geloven dat bijvoorbeeld prikkelgevoeligheid en sociaal onvermogen met autisme samenhangen en dus blijvend zijn. Daarbij komt nog dat, hoewel wetenschappelijk niet bewezen, erfelijkheid als factor genoemd wordt. Dit lezen we ook in het begeleidend artikel in de Verdieping. Je kunt het dus ook nog zogenaamd doorgeven aan je kinderen.

Al met al een onwenselijke ontwikkeling en inderdaad een psychiatrisch label zit er vaak naast.