ADHD en de DSM

Hoogleraar Jansen onderzoekt het verband tussen autismekenmerken en eetgedrag (Trouw 2 mei 2020) Jansen stelt dat iemand zonder een autisme spectrum stoornis niet alleen autistische kenmerken kan hebben, maar dat deze kenmerken ook kunnen leiden tot problemen die met autisme samenhangen. Vervolgens zegt ze dat meisjes net iets andere symptomen hebben als jongens (welke?) en ten slotte dat meisjes net iets beter zijn in het verbloemen van de stoornis. In de optiek van Jansen is er zo maar heel weinig nodig om eetstoornissen van (puber) meisjes in verband te brengen met autisme.

De oorspronkelijke definitie van autisme is: een alles doordringende aangeboren ontwikkelingsstoornis voortkomende uit zintuiglijke desinformatie, die voornamelijk jongens treft. De stoornis ontstaat niet in de loop van het leven, maar is vanaf het begin aanwijsbaar en aantoonbaar rond het tweedejaar. Tegenwoordig wordt de stoornis gemiddeld rond het negende jaar gesteld en dat geeft te denken. De criteria voor de stoornis zijn de laatste decennia flink afgezwakt, zodat ook veel meisjes nu een diagnose hebben in het autistisch spectrum. Criteria kun je beschouwen als de beslissende kenmerken die iemand moet hebben om de stoornis te mogen diagnosticeren. Andere kenmerken zijn bijkomend en iemand met een diagnose kan ze al of niet hebben. Zo noemt Jansen het begrip ordening als bijkomend kenmerk. ‘Kunnen ordenen’ is iets wat elk mens nodig heeft en wetenschappers helemaal. Ordening kan ook obsessief zijn en op die manier voorkomen bij autisme, maar ook bij bijvoorbeeld dwangstoornissen. Zeggen dat bijkomende kenmerken kunnen leiden tot problemen die met autisme samenhangen is dus een vreemde draai en wetenschappelijk onjuist.

Het begrip camoufleren of verbloemen van de stoornis deed in 1991 zijn intrede: Frith, autismedeskundige, kon zo intelligente jongens die onvoldoende symptomen vertoonden toch autistisch noemen. Camoufleren van een autistische stoornis is echter een contradictie. Voor het camoufleren van een autistische stoornis is sociaal inzicht en sociale vaardigheid nodig: je moet weten wat je omgeving voor soort gedrag wil zien en dit kunnen tonen. Dit kunnen meisjes waarschijnlijk beter dan jongens.

Jansen maakt voor haar onderzoek dus gebruik van een nog breder perspectief om voor meisjes de relatie tussen eetgedrag en autisme te kunnen leggen

Delfos, autismedeskundige, waarschuwt al op 6-10-2007 in de Volkskrant dat meisjes met anorexia of boulimia foutief gediagnosticeerd worden met autisme. Jansen noemt die eetstoornissen niet expliciet, maar ze spreekt wel van eetproblemen en emotie-eten.

Het gevaar van dit foutief diagnosticeren is gelegen in het verschil in oorzaak van de eetstoornis. Bij autisme is deze gelegen in zintuiglijke overgevoeligheid. Bij anorexia /boulimia/emotie-eten houdt de oorzaak veelal verband met een negatief zelfbeeld in combinatie met sterke prestatiegerichtheid (en bijkomende ordening) of perfectionisme. Ook negatieve ervaringen zoals pesten, sociaal-emotionele verwaarlozing en misbruik kunnen tot een eetstoornis leiden. Ten slotte zijn pubermeisjes soms gevoelig voor aanmoedigingen bijvoorbeeld via internet.

Het spreekt voor zich dat verschillende oorzaken verschillende behandelingen vergen. Vandaar het belang van gedegen onderzoek en zorgvuldige diagnostiek. Het onderzoek van Jansen is daar geen goed voorbeeld van.

Francisca Scholte